Zeven en een half miljard euro tegenover nul. Dat is, kort samengevat, het verschil tussen hoe het Rijk vier jaar geleden woningbouwlocaties ontsloot en hoe het dat nu doet.
Op 1 september wees minister Boekholt-O’Sullivan (Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening) vijf nieuwe nationaal grootschalige woningbouwlocaties aan: Deventer (Centrum, Schil en Keizerslanden), Haarlem Schalkwijk, Leeuwarden Middelsee-Spoordok, Maastricht Spoorzone en Weert Spoorzone. Samen goed voor ongeveer 30.000 woningen voor circa 60.000 woningzoekenden, te realiseren tot eind 2035. Er hoort geen ontsluitingsbudget bij. Niet omdat het vergeten is, maar omdat de minister expliciet heeft gezocht naar plekken waar geen extra geld voor bereikbaarheid nodig is, of waar dat geld in een eerdere ronde al is uitgetrokken.
Dat is een fundamentele koerswijziging, en die verdient meer aandacht dan hij in de berichtgeving kreeg. Het Rijk stapt over van investeren in ontsluiting naar selecteren op ontsluiting.
Van investeren naar selecteren
Ter vergelijking: in 2021 reserveerde het Rijk 7,5 miljard euro uit het Mobiliteitsfonds om ongeveer 400.000 nieuwe woningen bereikbaar te maken. Van dat bedrag ging circa 6 miljard naar de zeventien grootschalige NOVEX-woningbouwlocaties en 1,5 miljard naar de versnelling van 105 kleinere projecten. De verdeling over modaliteiten was veelzeggend: 46 procent openbaar vervoer, 37 procent autowegen, 10 procent fietspaden en 7 procent mobiliteitshubs. Daarnaast kwam er 475 miljoen euro voor gebiedsgerichte maatregelen. Onder het kabinet-Schoof volgde nog eens 2,5 miljard voor de bereikbaarheid van nieuwe woningbouw, waarvan 1,3 miljard voor kortetermijnprojecten.
Bij de vijf locaties van deze week zit daar niets meer bij. Wat het Rijk wel biedt is tweeledig. Financieel is er de generieke inzet van ongeveer 1 miljard euro per jaar voor betaalbare woningbouw, bedoeld om de onrendabele top van gereguleerde koop en middenhuur te dekken. Procedureel biedt het Rijk hulp bij het sneller verlenen van vergunningen, met als redenering dat eerder vergunnen betekent dat er eerder gebouwd kan worden.
De vijf locaties zijn vooraf getoetst op bereikbaarheid, stikstof, netcapaciteit, drinkwatervoorziening, water en bodem, en op de aanwezigheid van bestaande bedrijvigheid. Dat is op zichzelf een verstandige volgorde: het is beter om die randvoorwaarden vóór de aanwijzing te toetsen dan er drie jaar later op vast te lopen. Maar zo’n toets stelt vast dat een locatie past binnen wat er al ligt. Hij lost niet op wat er nog moet gebeuren.
Vijf locaties, één patroon
Kijk naar de namen en het patroon springt eruit. Middelsee-Spoordok, Maastricht Spoorzone, Weert Spoorzone. Ook Deventer richt zich op het centrum en de schil eromheen, en Haarlem Schalkwijk ligt binnen het stedelijk weefsel van een stad met een spoorknoop die al jaren als knelpunt geldt. Vier van de vijf liggen bij een bestaand of gepland station.
Dat is geen toeval, dat is het criterium in beeld gebracht. Wie bouwt waar het spoor al ligt, hoeft geen nieuwe ontsluiting te financieren. Het is bovendien ruimtelijk goed te verdedigen: binnenstedelijk verdichten bij knooppunten is precies wat vrijwel elke verstedelijkingsstrategie van het afgelopen decennium heeft bepleit, en het spaart open landschap in een land waar ruimte de schaarste van dit decennium is.
De keerzijde is dat het bereikbaarheidsvraagstuk niet verdwijnt. Het verhuist alleen van de rijksbegroting naar de projectorganisatie.
Wat “geen extra geld nodig” in de praktijk betekent
Bestaande infrastructuur is niet hetzelfde als vrije infrastructuur. Een station dat er staat, betekent niet dat er treinen bij kunnen. Op corridors rond Zwolle, Meppel en Haarlem is de capaciteit van het bestaande net juist de reden dat er de afgelopen jaren honderden miljoenen aan ingrepen in flessenhalzen zijn geprogrammeerd. Achtduizend woningen in de Maastrichtse spoorzone en zesduizend in Leeuwarden leveren reizigers op die ergens in een dienstregeling moeten passen.
Daar komt de laatste kilometer bij. Een woonwijk op tien minuten lopen van het perron functioneert alleen als die tien minuten ook echt loopbaar zijn: een onderdoorgang onder het spoor, een fietsroute die niet op een drukke gebiedsontsluitingsweg uitkomt, voldoende stallingsruimte, een bushalte die na zeven uur ‘s avonds nog bediend wordt. Dat zijn geen miljardenprojecten, maar het zijn wel investeringen. Als het Rijk ze niet doet, moeten gemeente, provincie, vervoerregio of ontwikkelaar ze doen. En dan is de vraag wie betaalt geen technische vraag meer, maar een onderhandeling tussen partijen met verschillende belangen en verschillende kasritmes.
Dat is precies het soort vraagstuk waar een project op stukloopt, niet in jaar één maar in jaar vier. De aanwijzing legt de ambitie vast. De verdeling van de kosten voor de ontsluiting ligt nergens vast.
De omgevingsopgave verandert van karakter
Er is nog een verschuiving die in de cijfers niet zichtbaar is, maar in de praktijk het meeste werk oplevert. Een uitleglocatie in de wei heeft een overzichtelijk omgevingsprofiel: een beperkt aantal grondeigenaren, een agrarische omgeving, een discussie over landschap en over het verkeer op de toevoerwegen. Grondverwerving is dan de dominante opgave, met minnelijk overleg en in het uiterste geval onteigening.
Binnenstedelijke verdichting werkt anders. Daar woont en werkt de omgeving al binnen de projectgrens. Concreet betekent dat:
- Zittende bewoners in plaats van grondeigenaren. Bewoners van naoorlogse wijken als Schalkwijk of Keizerslanden zijn geen partij in een grondtransactie, maar wel in elke inspraakronde, elk bezonningsonderzoek en elke parkeerdiscussie. Verdichting raakt hun uitzicht, hun parkeerplaats en hun groen, terwijl de nieuwe woningen voor iemand anders zijn.
- Bedrijven die moeten wijken. Delen van de aangewezen gebieden zijn nu bedrijventerrein. De minister kondigde aan hierover nadere afspraken met gemeenten te willen maken, gericht op vervangende bedrijfsruimte. Uitplaatsing van bedrijven is in de praktijk een van de taaiste onderdelen van een binnenstedelijke transformatie: het kost geld, het kost jaren, en het gaat over werkgelegenheid die een gemeenteraad niet graag ziet vertrekken.
- Geluid, trillingen en bouwlogistiek langs het spoor. Bouwen in een spoorzone betekent bouwen binnen geluidproductieplafonds, met trillingsonderzoek, en met aanvoerroutes door bestaande straten. De hinder tijdens de bouw landt bij mensen die er nu al wonen.
- Schade en nadeelcompensatie. Waar een winkelstraat jarenlang openligt of een aanrijroute wijzigt, ontstaan claims. Dat vraagt om een schadeparagraaf aan de voorkant, niet om een loket achteraf.
De opgave is dus niet kleiner geworden door binnenstedelijk te kiezen. Hij is verschoven van grondverwerving naar draagvlak, en van landschap naar leefbaarheid.
Versnelling zit in de procedure, niet in het draagvlak
Het enige instrument dat het Rijk substantieel meegeeft is hulp bij snellere vergunningverlening. Dat is nuttig, maar het is ook het instrument met de kleinste hefboom op de doorlooptijd van een gebiedstransformatie.
De jurisprudentie van het afgelopen jaar laat zien waar de echte vertraging zit. Besluiten sneuvelen niet omdat de vergunningprocedure te traag was, maar omdat de onderbouwing niet stand hield: een variantenafweging die niet inzichtelijk was, een participatietraject dat vormvrij was maar daarom nog niet vrijblijvend, een stikstofberekening die de toets niet doorstond. Een gemeente die haar omgevingsplan onder tijdsdruk vaststelt zonder dat het dossier klopt, wint een half jaar in de procedure en verliest twee jaar bij de Raad van State.
Snelheid vooraan levert alleen tijdwinst op als de kwaliteit van het besluit meebeweegt. Dat is geen juridische spitsvondigheid, dat is de kern van waarom omgevingsmanagement bij dit type opgave vroeg moet beginnen.
Wat dit betekent voor de praktijk
Voor wie aan zo’n locatie werkt, verandert er iets in de opdracht. Drie dingen verdienen aandacht.
Ten eerste: maak de bereikbaarheidsafspraak expliciet, ook als er geen rijksgeld is. Leg vast wie de onderdoorgang, de fietsroute, de stalling en de busbediening betaalt, en op welk moment. Een aanwijzing zonder financieringsafspraak is een uitnodiging tot een conflict in jaar vier.
Ten tweede: behandel de uitplaatsing van bedrijven als een zelfstandig traject met een eigen tijdlijn en een eigen budget, niet als een bijlage bij de gebiedsvisie. De ervaring bij eerdere spoorzonetransformaties is dat dit vrijwel altijd het kritieke pad bepaalt.
Ten derde: investeer de tijdwinst uit de versnelde vergunningverlening in de kwaliteit van het besluit, niet in een vroegere startdatum. Bij verdichting in bestaand stedelijk gebied is het aantal belanghebbenden per hectare vele malen groter dan bij een uitleglocatie. Dat vraagt om meer participatie, niet om minder.
De keuze van het kabinet is begrijpelijk in een tijd van dalende investeringsbudgetten en een groeiende instandhoudingsopgave; niet toevallig is voor eind 2026 een herziening van de MIRT-systematiek aangekondigd. Maar wie bereikbaarheid tot selectiecriterium maakt, moet zich realiseren dat de rekening daarmee niet verdwijnt. Die wordt alleen op een andere tafel gelegd, bij partijen die er minder geld en minder doorzettingsmacht voor hebben. Dat is een omgevingsopgave, en die begint niet bij de vergunning maar bij de aanwijzing.
Bronnen
- Rijksoverheid - 5 nieuwe locaties voor versnelde bouw 30.000 huizen
- NOS - Kabinet wil grootschalige woningbouw in vijf gemeenten
- Binnenlands Bestuur - Kabinet helpt woningbouw op 5 plekken, geen extra geld voor wegen
- Infrasite - Geen infrageld, dus 30.000 woningen bij bestaande infrastructuur
- Volkshuisvesting Nederland - Bereikbaarheid van de Nationaal Grootschalige Woningbouwgebieden
- Rijksoverheid - Miljardeninvesteringen voor bereikbaarheid woonwijken in heel Nederland